De taal- en rekenmethode
Het taal- en rekenonderwijs in basisscholen krijgt meestal vorm op basis van een methode. In methoden zijn leerlijnen nauwkeurig vastgelegd en bieden de leraar daarmee veel houvast. Taal- en rekenmethoden bieden vaak mogelijkheden om gedifferentieerd onderwijs te realiseren. Veel methoden kennen een indeling in twee of drie niveaus. Veel rekenmethoden gaan bijvoorbeeld uit van een gemiddeld niveau dat ongeveer aansluit op referentieniveau 1S, een lager niveau (min of meer aansluitend op 1F) en een niveau voor leerlingen die meer aan kunnen dan 1S. Dit geldt in de eerste plaats voor verwerkingsactiviteiten, maar in toenemende mate ook voor instructieactiviteiten. In nieuwe methoden wordt soms aangegeven welke onderdelen bij referentieniveau 1S behoren en welke bij 1F. Een methode kan ondersteunen bij differentiëren, maar de afstemming op de onderwijsbehoeften van de leerlingen in een groep wordt uiteindelijk bepaald door de leraar. Dat vraagt om kritisch gebruik van de methode, een goede voorbereiding en een kwalitatief hoogwaardige instructie. 

Kritisch met de methode omgaan

Dit impliceert dat de leraar zo nodig onderdelen zal schrappen, aanpassen, uitbreiden of vervangen, op basis van zijn kennis van de leerlijnen en van de ontwikkeling van de leerlingen in haar groep. Sommige taal- of rekenactiviteiten vragen om een aanpak die goed of zelfs beter zonder steun van methode is te realiseren. Toch volgen veel leraren hun methode vrij precies.  Methoden geven dan vaak druk. De gedachte dat de methode leidend is en 'uit moet' beïnvloedt de planning, van week tot week, van dag tot dag, tot in de dagelijkse lessen toe. Dit zet de mogelijkheden tot flexibiliteit en maatwerk onder druk en maakt het afwijken van de methode, bijvoorbeeld wat langer doen over een bepaald onderdeel of iets overslaan tot een lastige beslissing. Terwijl leraren wel dagelijks geconfronteerd worden met het feit dat de ontwikkelingslijnen van kinderen op allerlei manieren kunnen afwijken van de leerlijnen in de methode, qua tempo, volgorde, niveau en moment dat de leerling eraan toe is. Het flexibel hanteren van een methode vraagt inzicht en lef.

Een goede voorbereiding

Dit impliceert ook dat leraren elk blok of hoofdstuk uit de methode grondig voorbereiden. Zij bekijken elk hoofdstuk uit de methode en de handleiding vooraf goed. Minder ervaren leraren kunnen hierbij ondersteund worden door de interne begeleider of een collega. Hoe verhouden de doelen en inhouden van dit hoofdstuk zich tot de taal- of rekenontwikkeling van de verschillende leerlingen? Wat vraagt extra aandacht, welke opdrachten zijn cruciaal, welke moeten worden vervangen door een doelgerichtere opdracht en wat kan worden overgeslagen? Als er veel kan worden overgeslagen biedt dat mogelijkheden voor herhaling van eerdere onderdelen.

De kwaliteit van de instructie

Ook voor de instructie geldt dat een methode kan ondersteunen, maar dat de kwaliteit uiteindelijk bepaald wordt door de leraar. Veel reken- en leesmethoden gaan uit van een gemeenschappelijke groepsinstructie. Vaak bevat de handleiding ook aanwijzingen voor de verlengde instructie aan zwakke leerlingen. Deze verlengde instructie kent vaak kenmerken van het directe instructiemodel. Voor de instructie aan sterke leerlingen worden vaak maar weinig aanwijzingen gegeven. Ook deze leerlingen hebben behoefte aan een op hen afgestemde instructie. Een professionele leraar stemt de context, de vorm en duur van de instructie, de differentiatie daarbinnen, de mate van sturing en structuur, de gehanteerde strategieën en de inzet van ondersteunende materialen zo nodig aan aan de behoeften van de leerlingen in de groep.