Extra leertijd

Het Protocol ERWD geeft aan dat zwakke rekenaars behoefte hebben aan één uur extra instructie en begeleide oefening per week. In de bovenbouw is het voor sommige leerlingen wenselijk de extra lestijd uit te breiden tot anderhalf uur per week (Van Groenestijn, Borghouts, & Janssen, 2011). Voor leerlingen met een taalachterstand wordt geadviseerd per week één tot twee uur extra tijd voor taal en lezen in te zetten, waarvan één uur gerichte instructie en begeleide oefening (Förrer & Leenders, 2009). Het is belangrijk om de extra leertijd te verspreiden over verschillende momenten in de week. Regelmaat is daarbij van groot belang: je kunt leerlingen beter meerdere keren kort met dezelfde stof laten oefenen dan één keer lang. Voor jongere leerlingen is het verstandig de extra lestijd te verspreiden over korte momenten van ongeveer 10 tot 15 minuten per dag. Voor oudere leerlingen kan de extra tijd verdeeld worden over langere momenten, bijvoorbeeld driemaal 20 minuten of tweemaal 30 minuten per week, afhankelijk van het type leerling en activiteit. Uit onderzoek blijkt dat hoe meer de herhaling en mogelijkheid tot oefening van en met de stof gespreid is in de tijd, des te beter de leerlingen zich de stof eigen maken (Bouwmeester et al., 2012).

Tijd voor verrijkingsactiviteiten

Het is belangrijk om de verrijkingsopdrachten niet te versnipperd in de tijd aan te bieden, maar te streven naar langere tijdsblokken. Omdat verrijkingsopdrachten vaak complex zijn en meer verwerkingstijd vragen, is het goed langere perioden in te zetten. Dit kan bijvoorbeeld door de leerling de helft van de lessen met verrijkingsstof te laten werken en de andere helft met de basisstof uit de methode of door leerlingen op bepaalde dagen de gecompacte basisstof uit de methode te laten maken en op de overige dagen aan verrijkingsstof te laten werken. Ook het werken met weektaken is een goede optie ( zie ook: werkvormen en groeperingsvormen).