Volgen en toetsen
Om de rekenontwikkeling van leerlingen te kunnen volgen, moet informatie verzameld worden over de vorderingen van de leerling. De leerkracht verzamelt informatie over het rekenniveau (wat beheerst de leerling wel en wat nog niet), handelingsniveau (uitwerking op concreet niveau of al abstracter) en over strategiegebruik.
In het protocol ERWD worden het handelingsmodel en het drieslagmodel beschreven. Beide modellen bieden aanknopingspunten om de rekenwiskundige ontwikkeling van leerlingen te volgen, observeren en analyseren. Ook geeft het protocol aanwijzingen voor het voeren van diagnostische gesprekken.

Het verzamelen van informatie kan op verschillende manieren. Dit kan aan de hand van:

  • Methode gebonden toetsen.
  • Methode-onafhankelijke toetsen.
  • Bekijken van leerlingmateriaal.
  • Observatie.
  • Peilingen aan de hand van een doelgericht rekenspel of rekenactiviteiten.
  • Diagnostische gesprekken.

Groep 1 en 2
In groep 1 en 2 is met name observatie een belangrijk middel om de vaardigheid van leerlingen in beeld te krijgen. Het registreren van observatiegegevens vindt plaats binnen een leerlingvolgsysteem, zoals het Ontwikkelingsvolgmodel Jonge Kind of Kijk!. Ook in voorlopers van rekenmethoden zijn registratielijsten opgenomen. De doelen van het thema kunnen per leerling vervolgens geregistreerd worden.
Peilen van de rekenvaardigheid kan aan de hand van rekenactiviteiten en rekenspelletjes, waarbij gerichte vragen gesteld worden om de rekenvaardigheid, zoals tellen of meten, in beeld te brengen.

Speciaal voor groep 1-2 is door SLO de map ‘Als kleuters leren tellen’ uitgegeven voor het peilen en stimuleren van getalbegrip bij jonge kinderen.

De Citotoets ‘rekenen voor kleuters’ is een methode-onafhankelijke toets waarmee je je onderwijs kunt evalueren.

Groep 3 t/m 8
Ook in groep 3 t/m 8 wordt er op verschillende manieren informatie verzameld over de ontwikkeling van een leerling. Dit kan aan de hand van:

  • Methode-onafhankelijke toetsen.
  • Methode gebonden toetsen.
  • Observaties.
  • Het gemaakte werk.
  • Diagnostische gesprekken.
  • Hulpgesprekken.

Bij de methode gebonden toetsen worden vaak toets registratieformulieren gebruikt. Op deze overzichten kun je zien welke toetsonderdelen goed en minder goed gemaakt zijn.

Naar aanleiding van de methode gebonden toets kunnen diagnostische gesprekken gevoerd worden. Bij kinderen in de basisgroep zijn dit vaak geen ingewikkelde problemen. Belangrijkste vragen bij een diagnostisch gesprek zijn: wat heeft de leerling gedaan om aan zijn (foute) antwoord te komen? En welke instructie is van toepassing op deze leerling?
Als het lukt een doelgerichte onderzoeksvraag te stellen (35+27 lukt niet. Welke somtypen binnen het optellen t/m 100 lukken al wel en welke strategie gebruikt de leerling hierbij?) is het mogelijk de fase van diagnostische gesprekken kort en doelgericht te houden.

De gegevens uit de toetsen, observaties en gesprekken worden gebruikt om gerichte hulp in te zetten als dat nodig blijkt. Voor de leerlingen in de basisgroep is deze hulp vaak al voldoende om mee te kunnen in het volgende blok.

Vaak is het mogelijk om, voor de leerlingen in de basisgroep, in een korte tijd de hiaten op te lossen. Bij de start van het nieuwe blok blijven geen grote actiepunten liggen. Actiepunten die overblijven (bijvoorbeeld het automatiseren van de tafels, zijn vaak gezamenlijke aandachtspunten van de hele klas).

Meer informatie

Een overzicht van rekentoetsen per referentieniveau.

Op de kennisbankrekenen vindt u onder het thema niveauverschillen in het primair onderwijs  meer informatie over observeren, methode gebonden toetsen en methode onafhankelijke toetsen. Er worden adviezen gegeven voor het voeren van diagnostische gesprekken en specifieke observaties. Ook worden voor alle (deel)domeinen onder het kopje ‘Leren van fouten’ tips en suggesties gegeven over hoe je met veel voorkomende fouten die leerlingen maken kunt omgaan.