Doelen en inhouden
De kerndoelen en de referentieniveaus bieden het kader voor het spellingonderwijs. De kerndoelen en referentieniveaus zijn uitgewerkt leerstoflijnen en leerlijnen. In de uitwerking van de leerstoflijnen is ook een begrippenlijst opgenomen. Deze geeft aan met welke begrippen een leerling vertrouwd moet zijn om over taal te kunnen praten en nadenken (taalbeschouwing).

Voor het domein taalverzorging en begrippenlijst zijn de volgende referentieniveaus onderscheiden. Voor het basisaanbod vormen de doelen behorende bij referentieniveau 1S/2F het uitgangspunt.  

 

Referentieniveaus

Beheerst de alfabetische spelling. Spellen van klankzuivere woorden als haar, teen, boom.
Beheerst de orthografische spelling. Onder andere woorden met ng, nk, sch, ch(t), aai, ooi, ieuw, eeuw, uw, de ë in ië of ieë. (1F).
Beheerst de morfologische spelling. Onder andere verkleinwoorden, meervoudsvormen, woorden met achtervoegsels als –ig, -lijk, -tie, -heid, -teit, -tijd, -isch), bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord (verbrede straten. (1F).
Beheerst de spelling van moeilijke gevallen.
  1. Meervoud –s na klinker (cafés, cavia’s);
  2. Verkleinwoord na open klinker (parapluutje);
  3. ’s in ’s ochtends;
  4. En in stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden (houten);
  5. Meervoud –n bij zelfstandig gebruikte verwijzing (allen vs. alle);
  6. Wel/niet –n in samengestelde woorden (1S/2F).
Beheerst de spelling van spelambigue woorden. Mmauwen, mouwen (1S/2F).
Beheerst de werkwoordspelling waarvan een deel zuiver morfologisch is. Morfologische spelling op syntactische basis): zoals tegenwoordige tijd meervoud (lopen, raden), verleden tijd van werkwoorden met stam (bakte(n)) of –d (antwoordde(n)), hele werkwoord (1F).
Beheerst de moeilijke gevallen in de spelling van de persoonsvorm
  1. Tegenwoordige tijd: stam op –d enkelvoud (ik word, hij wordt);
  2. Tegenwoordige tijd: klankvaste of zwakke werkwoorden enkelvoud (ik leef, hij leeft);
  3. Verleden tijd: klankvaste of zwakke werkwoorden met stam op –d of –t (redden, pitten)
    (1S/2F).
Leestekens
Past hoofdletters, punten, vraagtekens, uitroeptekens en aanhalingstekens correct toe (1F).
Gebruikt hoofdletters bij eigennamen (Joep, Frankrijk) en bij de directe rede (Hij zei: ‘Ik ga.’) (1S/2F).
Overige regels
Past afbreekregels correct toe (ge-beuren, gebeu-ren) (1F).
Grammaticale begrippen voor werkwoordspelling
Beheerst grammaticale begrippen voor werkwoordspelling: persoonsvorm, voltooid deelwoord, stam, hele werkwoord, onderwerp, zwakke/sterke werkwoorden, werkwoordelijk gezegde, ’t kofschip of ’t ex-fokschaap (1F).


 

Meer informatie 

In de publicatie Leerstoflijnen woordenlijst en taalverzorging beschreven Beek, A. van der en Paus, H. (2011) worden de referentieniveaus uitgewerkt in leerstoflijnen..

In de publicatie Leerstoflijnen woordenlijst en taalverzorging beschreven Beek, A. van der en Paus, H. (2011) is ook een begrippenlijst opgenomen die het leerlingen mogelijk maakt om over taal te denken en te spreken.

Het Expertisecentrum Nederlands heeft de subdomeinen van spelling in leerlijnen uitgewerkt.

Meer lezen over onderzoek rond spelling in het basisonderwijs. Zie Bonset, H. & Hoogeveen, M. (2009), Spelling in het basisonderwijs. Een inventarisatie van empirisch onderzoek. SLO: Enschede.

Een uitwerking in leerlijnen is ook te vinden in Teunissen, C., Elsaëcker, W. van & Druenen, M. van (2012), Opbrengstgericht werken aan lezen en schrijven. Nijmegen: Expertisecentrum Nederlands.