Instructie en leeractiviteiten

De leraar heeft een belangrijke voorbeeldfunctie in gesprekssituaties. De leraar kan het gewenste gedrag voordoen, hardop vragen stellen en antwoorden formuleren. Tijdens de instructie is het belangrijk dat de leraar het taalgebruik aan past aan het niveau van de leerlingen, dat de instructie wordt herhaald in andere woorden en dat de leraar controleert of alles begrepen is. Op de kwaliteitskaarten zijn veel suggesties te vinden voor woordenschatuitbreiding.

Algemene suggesties:

  • Het expliciet introduceren van gespreksregels kan leerlingen helpen bij het leren van gespreksvaardigheden.
  • Bij leerlingen die moeite hebben om deel te nemen aan gesprekken kan de leraar dit eerst in een-op-een-situaties of in kleine groepen oefenen.
  • Leer zo nodig luisterstrategieën aan.
  • Zorg voor een veilig klimaat waarin ook leerlingen met een taalachterstand zich durven uiten.
  • Benut meerdere kanalen in de communicatie, met name het visuele.
  • Een voorbeeld van een veel gebruikte methodiek is de DGM: denkstimulerende gespreksmethodiek (Blank e.a., 1978) met deze methodiek wordt de relatie tussen taal en denken versterkt.
  • Hanteer voor anderstalige leerlingen de vijf stappen van de NT2-didactiek, zoals beschreven door Josée Coenen en Marion Nout.
  • Vermijd voor anderstalige leerlingen de vraag: 'Wat is dit?'. Het is beter om te vragen: 'Hoe heet dit?' of 'Hoe noem je dit in het Nederlands?'. In hun moedertaal weten de leerlingen meestal wel wat het is, het gaat er juist om dat ze de Nederlandse labels leren. Stel deze vragen niet voordat de woorden in het Nederlands zijn aangeboden, anders is het niet zinvol. Vermijd in vragen en instructie ook het gebruik van vage, niet concrete zinnen en verwijswoorden, zoals in: 'Had ik die gepakt?' (benoem juist wat je aan wijst).
  • Besteed voor anderstalige leerlingen aandacht aan het aanleren van de lidwoorden bij het aanbieden van zelfstandige naamwoorden (de of het). Er zijn in het Nederlands geen regels voor, je moet het gewoon weten. Schrijf daarom altijd het lidwoord erbij: op woordvelden in de klas, op woordkaartjes bij een themamuur of thematafel, op woordenlijsten. Schrijf de lidwoorden niet met een hoofdletter, want dan denken leerlingen dat die altijd met een hoofdletter geschreven moeten worden. Zie ook het boek 'Zien is snappen'.
  • Denk bij woordenschatlessen ook aan specifieke woorden die te maken hebben met de vraagstelling in toetsen of in andere opdrachten.
  • Bij het voeren van gesprekken komt ook kennis van pragmatiek kijken: wat zeg je tegen wie in welke situatie? Het gaat om de talige kant van cultuur. Voor anderstalige leerlingen zijn deze conventies vaak niet bekend. Die moet je dus expliciet maken en onderwijzen. Let ook op zinsbouw en zinsaccent in het Nederlands (zinsmelodie en zinsintonatie).

Meer informatie

Kwaliteitskaarten woordenschat: zie basisaanbod, onder 'meer informatie'

Zien in prenten, Bazalt/HCO

Nulft, D. van der & Verhallen, M. (2009) Met woorden in de weer Bussum: Coutinho.